In de ban van de astrologie
en hoe ik mij daarvan bevrijdde ...
tegen een prijs…

Rudolf Smit was oprichter en eerste voorzitter van het Nederlands Genootschap van Praktiserende Astrologen (NGPA). Van het Tijdschrift van de Nederlandse Vereniging tot Wetenschappelijk Onderzoek van de Astrologie (NVWOA) werd hij de eerste redacteur. Tussen 1993-1999 was hij ook hoofdredacteur van het enige peer-reviewed tijdschrift dat astrologie wetenschappelijk benaderde: Correlation, Journal of Research into Astrology, uitgegeven door the British Astrological Association. 

Mijn jonge jaren

Voordat ik toekom aan het onderwerp van dit artikel, is het noodzakelijk terug te grijpen op mijn jeugdjaren. Want de sterrenkunde, of astronomie, heeft in mijn leven steeds een belangrijke rol gespeeld al vanaf de eerste klassen van de toenmalige lagere school. In onze woonkamer stond een grote en goed voorziene boekenkast, maar doordat mijn ouders niet zo gek op romans waren, bevatte het vooral populair-wetenschappelijke werken. Eén van deze boeken was getiteld Mijn Sterrenwacht. Het was een heldere uiteenzetting over sterrenkunde door P.G.Meesters, één van de bekendste Nederlandse amateurastronomen uit die tijd (ik spreek over de jaren ’30 en ’40). Vanwege zijn sentimentele waarde koester ik dat boek nog steeds als een kostbaar bezit.

Dankzij Meesters’ enthousiaste betoog werd ik, zo jong als ik was, een vurig amateur-astronoom. Zo vroeg ik voor mijn verjaardagen aan mijn ouders geen “prozaïsche” cadeaus, maar bovenal boeken over sterrenkunde. En zo kon het gebeuren dat, toen ik 12 was ik al kon beschikken over zo’n 20 boeken over astronomie. En, geloof me, heel wat van hen waren aan de pittige kant (“Het Heelal” van Sir James Jeans om maar een voorbeeld te noemen).

In elk geval hadden vrijwel al die boeken één ding gemeen: Zij vertelden hun lezers dat hoewel astrologie de voorloper was van de astronomie, dit in de huidige tijd slechts kon worden gezien als een bijgeloof – immers, zonder enig wetenschappelijk bewijs. Logischerwijs kon men astrologen slechts beschouwen als, op zijn best goedgelovige maar goed-menende mensen, of op zijn slechts als hopeloze en gevaarlijke charlatans.

Als jongen van 12 nam ik zonder meer als waar aan wat daar door die illustere schrijvers werd gesteld, dus ik geloofde net zo hard als zij dat astrologie ordinaire kletskoek was en astrologen gevaarlijke charlatans. Als toen iemand tegen mij had gezegd: “let op mijn woorden, jij zult zelfs eens astroloog worden en je zult de astrologie vurig promoten en verdedigen”, dan zou ik die persoon meewarig hebben aangekeken en gedacht: “die is niet goed bij zijn hoofd!”

Hoewel niemand ooit zo’n voorspelling had uitgesproken, kwam die, als-ie wel gedaan was, toch uit. Dit is mijn verhaal over hoe het allemaal begon, hoe het zich ontwikkelde, en hoe het eindigde in een voor mij bijkans rampzalige situatie.

Het verhaal begint

Het was 1968 en in dat jaar werd ik de technische redacteur van een tijdschrift over fotografie. Mijn directe chef was de hoofdredacteur van dit tijdschrift. Hij was een academicus met een achtergrond in de chemie en hoger onderwijs in de fotografie. Een heel plezierige man, kritisch en zeer erudiet, warm en humorrijk, voor wie ik snel een groot respect koesterde. Maar op een dag zei deze zelfde man iets waarvan mijn maag ineen kromp.

De directeur van de uitgeverij was zomaar bij ons binnengestapt, kennelijk om stoom af te blazen. Want hij zat met een probleem: hij moest een besluit nemen maar dat wilde niet lukken – hij bleef steken in gedub, gewik en geweeg. Hij vroeg ons niet om advies, neen, toen hij zijn verhaal had gedaan liep hij onze kamer weer uit, kennelijk een beetje opgelucht.

Toen hij de deur uit was, zei mijn baas met een grijns: “Zie je wel, een typische Libra [Weegschaal], heeft veel moeite met het nemen van beslissingen.”

Ik kon mijn oren niet geloven en ik was in eerste instantie met stomheid geslagen. Dat mijn baas, zo’n erudiet mens, zulke onzinnige uitspraken deed! Toen trok ik alle registers open en ik verkondigde luid en duidelijk dat het allemaal onzin was, want de sterren stonden immers veel te ver weg om überhaupt enige invloed te kúnnen uitoefenen op het menselijk leven, en zo waren er nog wat meer argumenten die ik te berde bracht.

Mijn baas luisterde heel geduldig naar me en, toen ik aan het eind van mijn tirade was gekomen, vroeg hij me: “Heb je dit onderwerp ooit bestudeerd?” Ik was uiterst verbaasd: “natuurlijk niet, waarom zou ik mijn tijd moeten besteden aan zulke onnozele zaken?” Zijn antwoord: “als ik jou was zou ik toch maar wat tijd besteden aan de bestudering van de astrologie, want alleen dan kun je een begin maken er redelijk over te oordelen.”

Ik ontdekte dat mijn zonneteken mij keurig beschreef

Terugkijkend begrijp ik des te beter dat dit een omslagpunt markeerde in mijn leven, want ik besefte dat mijn baas het gelijk volledig aan zijn kant had. Ik had met een heleboel autoriteit en poeha iets beoordeeld en veroordeeld waarvan ik nauwelijks enige kennis had. Alles wat ik had gedaan was het kritiekloos napraten van wat ik elders gelezen had. Dit was een houding, ook mijn houding, die onverantwoordelijk en daardoor laakbaar was (en in principe nog steeds zo is).

Dus, na wat denkwerk overwon ik mijn afkeer en kocht ik een boekje over mijn zonneteken (een correcter woord dan het veel gebruikte “sterrenbeeld”). Het was een van de twaalf boekjes geschreven door de toentertijd populaire Franse astroloog André Barbault (ik spreek over tweede helft jaren zestig). En, ja, ik moest toegeven dat een heel groot deel van wat ik las regelrecht op mij sloeg. Ik was oprecht verbaasd. Geïnspireerd door deze onverwachte uitkomst ging ik een stukje verder. Achterin het boekje stond een simpele methode voor de vaststelling van iemands Ascendant, ofwel het teken dat ten tijde van de geboorte rijzend was aan de Oostelijke horizon. Want volgens astrologen is die Ascendant net zo belangrijk, zo niet belangrijker dan het zonneteken. Daarom leek het mij gewenst ook die Ascendant te bepalen. Zo vond ik dat mijn Ascendant precies op de grens van twee Tekens lag. Van beide Tekens kocht en las ik het bijbehorende boekje van Barbault. En ja, in beide beschrijvingen kon ik mij uitstekend vinden. Eigenlijk paste het tweede van die tekens mij beter, maar de eerste zat er ook niet ver naast. Min of meer “logisch”, zoals later bleek, want dat eerste was, zoals ik later vaststelde, het teken waarin de Maan stond.

Maar op dat moment kwam (gezond) scepticisme boven drijven. Wat zou er gebeuren als ik alle andere negen boekjes van de twaalf tekens zou doorlezen?  Ik wedde dat ik in alle boekjes wel wat van mijzelf zou terugvinden.  En inderdaad, zo geschiedde, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik in sommige boekjes beduidend meer van mijzelf herkende dan in andere, zodat ik veilig kon vaststellen dat mijn karaktereigenschappen beslist niet gelijkelijk verdeeld waren over de twaalf tekens. Daar liet ik het even bij: ik vond niet genoeg aanleiding om de zaak verder uit te diepen. Dit gebeurde allemaal eind jaren zestig, dus al weer ruim 40 jaar geleden.

Toen ontdekte ik mijn persoonlijke horoscoop

Maar toen bezocht ik de ouders van een toenmalige vriend. In hun huiskamer stond een grote boekenkast, en met het adagium in gedachten: “laat mij uw boeken zien en ik zeg wie u bent”, stond ik daarin – met expliciete toestemming van mijn gastheer en gastvrouw – uitgebreid te neuzen. Ik ontdekte twee astrologie-leerboeken! Plezierig verrast vroeg ik hen wie geïnteresseerd was in de astrologie. Dat bleek de vrouw des huizes te zijn. Zij en ik spraken toen af dat ze mijn persoonlijke horoscoop zou maken, dwz een grafische voorstelling van de sterrenhemel rondom mijn geboorteplaats, gebaseerd op de Greenwich Mean Time van mijn geboorte en de geografische coördinaten van mijn geboorteplaats. De tijd wist ik, en de geo-coördinaten konden zo worden teruggevonden in een goede atlas.

Welnu, twee dagen later vond ik een eenvoudig getekend figuurtje, voorstellende mijn horoscoop, met een velletje papier waarop enkele duidingen stonden. Ik was versteld! Wat zij had opgeschreven in korte zinnen, sloeg niet alleen op enkele markante karaktertrekken, maar ook op omstandigheden in mijn leven, die ze moeilijk had kunnen weten – mijn vriend was bepaald niet loslippig geweest over mij tegenover zijn ouders, maar dat niet alleen: de zaken die zijn moeder had opgeschreven en die helemaal in overeenstemming waren met de werkelijkheid, had ik hem echt niet verteld (als een van nature introvert, houd ik er niet van mijzelf makkelijk bloot te geven). Een ander belangrijk gegeven: wat zij had genoteerd, waren niet haar bevindingen, maar uitspraken uit één van de twee astrologieboeken die ik had zien staan in hun boekenkast. De notities waren voorzien van het paginanummer, en naderhand heb ik die notities kunnen teruglezen. Nogmaals, het was allemaal verbazingwekkend correct.

Toch was ik nog niet overtuigd. De volgende stap was deze: ik stuurde mijn geboortedata naar een in die tijd vrij bekende Nederlandse astroloog.  Ik vroeg hem aan de hand van slechts die gegevens een horoscoopanalyse te schrijven. Dat noemt men een “blinde duiding” doordat slechts met de geboortegegevens wordt gewerkt en er dus geen persoonlijk gesprek aan te pas komt.

Zes weken later ontving ik van hem een horoscoop-analyse van zes keurig uitgetypte vellen, en deze analyse paste mij wonderwel. Belangrijk: geen dubbelzinnigheden, niet het beruchte enerzijds-anderzijdsgeklets, nauwelijks uitspraken die voor iedereen zouden gelden, enz. Let wel: dat alles terwijl ik de man nog nooit had ontmoet, en hij mij op geen enkele andere wijze had gekend. Ik was een volslagen vreemde voor hem. Maar, de teerling was geworpen – ik was overtuigd. Vanaf dat moment had de astrologie mij stevig in zijn greep. En dàt werd het begin van een opwindende tijd.

In die dagen waren astrologische leerboeken nauwelijks verkrijgbaar. Maar na wat gezoek in antiquariaten vond ik er enkele alsook een efemeride (= een tabellenboek waarin de planeetstanden van dag tot dag genoteerd staan). Zo leerde ik mijzelf het berekenen en oprichten van een horoscoop, en natuurlijk was die van mijzelf het eerst aan de beurt. En naderhand, bij de duiding aan de hand van de twee astrologie-handboeken, was er weer dat vreugdevolle gevoel van het ontdekken van een wonder.

Vreugdevolle ervaring: astrologie “werkt”

Maar ik beperkte mijn onderzoekingen niet alleen maar tot mijn eigen horoscoop. Bijna iedereen in mijn naaste familie- en vriendenkring moest er aan geloven. Ik vroeg ze hun geboortegegevens (datum, geboortetijd, geboorteplaats) en ter plaatse berekende en tekende ik hun horoscoop die ik dan duidde met behulp van de twee astrologische handboeken. Tot mijn grote bevrediging bevestigde vrijwel iedereen wat er in hun persoonlijke horoscoop beschreven stond. Geen wonder: zo nu en dan werd zelfs hun beroep genoemd in die handboeken! Dat was echt verbazingwekkend, en dan was ik uiteraard opgetogen. (Let wel: zeker in die tijd deed ik niets zonder die handboeken, want dan kon ik immers steeds verwijzen naar de teksten in die boeken, zodat niemand mij kon verwijten: dat maak je er zelf maar van, of dat wist je al van mij).

De astrologie had mij helemaal in zijn ban, en ik kwam tenslotte zo ver dat ik in 1975 en 1976 een serie artikelen over astrologie en wetenschap schreef in het toenmalige populair-wetenschappelijke tijdschrift “Aarde & Kosmos”, een serie die met wat extra aanvullende hoofdstukken als het boek “De Planeten Spreken” werd gepubliceerd in 1976. Het was ongeveer 300 pagina’s dik en bevatte toentertijd plausibel geachte aanwijzingen voor planetaire invloeden van astrologische aard, zoals de bevindingen van het Franse psychologenechtpaar Michel & Françoise Gauquelin.

Ondertussen had ik contacten gezocht en gevonden met de weinige astrologen die Nederland toen rijk was, en ik ontdekte dat een van hen er de gewoonte van had gemaakt de ergste voorspellingen te doen, zonder dat die uitkwamen maar ondertussen wel tot grote commotie hadden geleid. Cliëntele raakten dan zo van streek dat ze elders hulp hadden moeten zoeken. Ik vond dit zeer onethisch gedrag van die astroloog en ik besloot andere astrologen die er niet zulke praktijken op na hielden te mobiliseren en te vragen samen met mij een vereniging op te richten. Deze vereniging, het NGPA (Nederlands Genootschap van Praktiserende Astrologen) kwam inderdaad tot stand en was als zodanig de eerste vereniging van beroepsastrologen in Nederland. In andere landen, zoals Engeland en de Verenigde Staten, bestonden zulke beroepsverenigingen al langer.

Niet alleen zou deze vereniging er voor zorgen dat de aangesloten leden zich werkelijk professioneel zouden gedragen, maar ook zou hun gedrag in dezen berusten op een degelijk ontworpen ethische code. En aldus geschiedde. De vereniging werd opgericht in 1977 en ik werd verkozen tot de eerste voorzitter. Verder werd ik de eerste redacteur van het Tijdschrift van de Nederlandse Vereniging tot Wetenschappelijk Onderzoek van de Astrologie (NVWOA). De NVWOA bestaat nog steeds, maar het NGPA is opgegaan in de Astrologische Vakvereniging Nederland.

Er volgde een prachtige tijd. Iedereen was vol optimisme en was er van overtuigd dat het slechts een kwestie van niet zoveel jaren zou zijn alvorens de astrologie volledig zou worden geaccepteerd door de maatschappij. Wat mijn eigen astrologische activiteiten betrof, ik begon een part-time astrologische praktijk, en ontving veel cliënten, die aan het einde van het consult vrijwel zonder uitzondering tevreden huiswaarts gingen.

De toekomst zag er rooskleurig uit… Hoe anders zou het aflopen.

Correcte analyse van verkeerde horoscopen

Het was omstreeks 1978 dat ik mijn eerste grote tegenslag ervoer. Ik ontving een cliënte, laat ik haar mevrouw Jansen noemen, wier horoscoop ik samen met haar analyseerde. Alles leek heel goed te gaan. Al die tijd zat ze te knikken, en te zeggen: “dat is heel raak, hoe weet u dat allemaal”,  of woorden van gelijke strekking. Maar toen zei ik iets als: “Welnu, mevrouw Jansen, wij….” Ze onderbrak mij meteen en zei: “pardon, ik heet geen Jansen, maar Pietersen.”

Ik dacht in de grond te zakken! Want toen zag ik ineens voor mij de horoscoop van mw Jansen, terwijl de dame voor mij beslist niet die mevrouw Jansen kon zijn: het was een oudere dame, terwijl de horoscoop was van een mevrouw die aanzienlijk jonger was.

Vraag me niet hoe ik mijzelf uit deze toestand heb weten te redden, maar kennelijk lukte mij dat redelijk, want ze ging heel tevreden weg.

Nadat ik haar had uitgelaten, zat ik enigszins beduusd in mijn studeerkamer na te denken. Verwarrende gedachten raasden door mijn hoofd. Hoe was het mogelijk een correcte analyse te maken gebaseerd op een geheel verkeerde horoscoop? Zeiden niet al mijn astrologische handboeken dat elke horoscoop nagenoeg uniek was en alleen geldt voor diens horoscoopeigenaar? Ik wist hier echt geen raad mee. Ik liet de kwestie rusten, maar vanaf toen was ik wel op mijn hoede. En niet zonder reden, want enkele jaren later overkwam eenzelfde geintje me weer, maar toen had ik het gelukkig tijdig in de gaten.

De in mij sluimerende skepticus werd weer wakker

Hoe dan ook, het zal niet als een verrassing komen dat vanaf die tijd de skepticus, die ik altijd al was geweest maar die al die jaren vredig had gesluimerd, wakker was geworden. Het deed er niet toe dat ik cliënten had die overduidelijk tevreden waren na afloop van hun astrologische consult. Ondanks al deze positieve “feedback” voelde ik dat ik niet langer de astrologische handboeken kon vertrouwen. Zij waren trouwens te vaak tegenstrijdig in hun duidingen, zoals ik meer en meer begon te zien (inmiddels had ik vele tientallen handboeken verzameld en doorgeploegd, en vergeleken met elkaar).

Feit was dat mijn gehele houding tegenover de astrologie zodanig aan het veranderen was dat ik langzamerhand een luis in de pels werd voor mijn collega-astrologen.

Ik was nu behoorlijk kritisch geworden ten aanzien van de “alles-kan-en-mag” houding van de meeste astrologen met wie ik omging, en hoe ze er toe neigden alles te geloven wat prominente astrologische auteurs ooit hadden geschreven, of het nu astrologen van eeuwen geleden betrof, of astrologen van recentere datum.

Als ik bij voorbeeld kritisch reageerde op een uitspraak van een astroloog, dan wilde zijn/haar antwoord nog wel eens zijn: “Het is zo, want [bekend astrologisch auteur] zegt het.” (Let op: er wordt de tegenwoordige tijd gebruikt: hij zegt het i.p.v. zei het, zelfs als de betreffende auteur al eeuwen dood was). Als ik dan vroeg: “hoe wist-ie dat?” was het antwoord: “uit ervaring.” Op mijn vraag: “ervaring, gebaseerd op wat?  Empirisch onderzoek?” kwam dan geen antwoord, maar gingen de ogen op stand oneindig.

Computers deden hun intrede

Het was ook in die tijd (de laatste drie van de zeventiger jaren) dat de eerste huiscomputers hun intrede deden. Ik kocht toen de Commodore PET 3032 – een voorloper van de later zo beroemde Commodore 64 computer.  De astrologische programmatuur ervoor werd ontwikkeld door een vriend van mij, die ook zo’n machine had aangeschaft. Een voorbeeld: ik beproefde de uitspraak dat in de horoscopen van mensen die waren omgekomen bij een ongeluk, er een opvallend grote kans is op een negatief aspect van de “Progressieve” Mars naar de Ascendant, of op “Progressieve” Ascendant in negatief aspect naar Mars”. Vergeef mij dit jargon, maar de strekking mag duidelijk zijn: de uitslag was negatief. Natuurlijk, er waren enkele treffers, maar dus geen aantal dat op overweldigende wijze die uitspraak in astrologische teksten kon bevestigen. En zo ging dat maar door. Dankzij deze machine (met zijn “enorme” interne geheugen van 32 kilobytes) werd ik in staat gesteld vele horoscopen te onderzoeken op een grote variëteit van astrologische uitspraken zoals je die kunt vinden in astrologische handboeken.  Het duurde wat jaartjes om al deze projectjes uit te voeren. Ik slaagde daar in, maar tot mijn grote verdriet lieten de testresultaten het tegendeel zien van alles waarop ik gehoopt had. Je hoefde echt geen statisticus te zijn om te zien dat veel, zoniet alle, uitspraken in astrologische handboeken, op niets waren gebaseerd indien beproefd op een groot aantal horoscopen.

Men kan zich voorstellen dat ik steeds ontnuchterder tegen de astrologie aankeek.  Maar toch bleef ik nog wel een aanhanger, want ik had tevreden klanten, die ook de neiging hadden terug te komen voor nieuw advies. Dus wat had ik te klagen? Tot op een dag het kwartje viel…

Ik ontmoette Geoffrey Dean

In februari 1984 kwam ik oog in oog te staan met Dr Geoffrey Dean, een man wiens onderzoek naar de astrologie al een stevige impact hadden gehad op de astrologische wereld. In 1979 had ik een exemplaar gekocht van het boek “Recent Advances in Natal Astrology” dat hij samen met Arthur Mather, en in samenwerking met vele anderen had geschreven.  Dat boek maakte grote indruk op mij, niet in het minst omdat hij mijn eigen bevindingen bevestigde.

Beiden waren we uitgenodigd om te spreken op de jaarlijkse conferentie van de Federation of Australian Astrologers te Melbourne in 1984, en ik maakte van de gelegenheid gebruik hem te vragen bij mij te logeren. (Sinds 1980 woonde ik in Australia. In september 1987 keerde ik terug naar Nederland). We hadden veel inspirerende gesprekken gedurende welke hij mij een dik pak papier liet zien, zijnde een concept van een groot artikel over de factoren die een rol spelen bij astrologisch raadgeven, dat hij rond liet gaan langs verschillende commentatoren. Hij vroeg ook aan mij of ik dit concept wilde bekijken en waar nodig van commentaar voorzien.

Uiteraard zei ik daar ja op, en nauwelijks was hij weer op de terugweg naar Perth, enkele duizenden km’s verderop, of ik begon te lezen. Zoals gebruikelijk bij Dean, was het artikel helder geschreven en zeer informatief, maar van één hoofdstuk ging ik door de grond. Niet zozeer omdat hij iets fouts had geschreven, maar vooral omdat ik zoveel herkende: in één keer begreep ik waarom ik zo succesvol was geweest als astrologisch raadgever. Het kwartje was gevallen: mijn praktijk was zo succesvol, niet zozeer dankzij de astrologie, maar in plaats daarvan dankzij andere factoren waarin ik blijkbaar goed was. Zie verder…

De kunst die “Cold Reading” heet

Het hoofdstuk dat mij zo getroffen had heette “Chartside Manner: Non-Astrological Factors in Personal Validation.” In dat hoofdstuk besprak Dean zo’n twintig factoren die persoonlijke validatie beïnvloeden, oftewel hoe een cliënt een interpretatief astrologisch gesprek waardeert.  Deze factoren omvatten zaken als het Barnum effect (het zien van specifieke dingen in algemeenheden), selectief geheugen (negeren van fouten), enz. De meesten van deze factoren herkende ik onmiddellijk – hoewel ik mij deze feiten nooit had gerealiseerd. Maar wat mij het diepste trof waren de effecten die werden beschreven onder het kopje “Cold Reading”, en nu citeer ik Dean volledig (in vertaling):

‘Cold Reading Effects, of hoe lichaamstaal het verhaal vertelt. De “reader” (dus: astroloog, tarot reader, handlezer, enz) maakt gebruik van non-verbale hints (bijvoorbeeld verwijding of verkleining van de oogpupillen, handbewegingen enz) zoals die “gelekt” worden door de cliënt, om aldus steeds dichter naar de waarheid te koersen. In zulke sessies vindt veel woordloze communicatie plaats, vaak zonder dat men zich daarvan bewust is. [Een voorbeeld: wanneer een client tijdens het gesprek reageert door iets voorover te buigen, wordt dat opgevat als een bevestiging – iets terugwijken en een verstrakking van de mond duidt op ontkenning]. Dean vertelde mij later dat ook “paralinguistic clues”— de toon en luidheid van de stem, alsook de klank van een stem, vallen onder non-verbale hints. De intuïtieve astroloog let automatisch op dit soort reacties van zijn cliënt, en dat verklaart onder andere waarom zij beweren dat intuïtie zo belangrijk is voor het verkrijgen van maximale precisie.

De sleutelfactoren van Cold Reading zijn:

  • 1. Let op de ogen en de handen als teken dat ze ja of neen zeggen
  • 2. Zorg ervoor dat het consult positief en optimistisch overkomt
  • 3. Wees een goede luisteraar
  • 4. Wees vleiend in uw opmerkingen opdat de cliënt meer van zichzelf laat zien
  • 5. Ontdek het probleem en vertel de cliënt wat hij/zij wenst te horen.

Natuurlijk kan een astroloog Cold Reading technieken gebruiken zonder dat hij dat beseft. Neher [hier is een verwijzing naar The Psychology of Transcendence, McGraw-Hill, 1990] concludeert aan de hand van waarnemingen van tarotlezers/handlezers/astrologen etc dat deze dikwijls “scherpzinnige, gevoelige personen zijn die subtiele hints, afgegeven door de cliënt, gemakkelijk oppikken. Gewoonlijk zijn lezer noch cliënt zich bewust van dit specifieke communicatie-proces, dat daardoor kan resulteren in een gesprek dat kennelijk op mysterieuze wijze opmerkelijk correct kan zijn.”

Het punt is dat een getrainde cold reader ook een geheel overtuigend verhaal kan produceren maar dan zonder een horoscoop te gebruiken, in welk geval je niet kunt claimen dat de astrologie een wezenlijke rol speelt in het consultatie-proces.

Tot zover Dean e.a.

Het werd in één keer duidelijk

Dus, zonder dat ik mij er ooit bewust van was geweest, bleek ik een uitstekende “cold reader” te zijn – dat besefte ik op die “fatale dag” in februari 1984. Het was dankzij mijn vaardigheid in dezen en de mij overheersende wens mijn cliënten te helpen dat ik een uitstekende verstandhouding met ze had, en daardoor sessies met ze had die zowel voor de cliënt als ikzelf zeer bevredigend waren. Het enige goede ding van de astrologie bij deze sessies was de mandala, horoscoop geheten, en zijn prachtige symboliek. In werkelijkheid was een en ander dankzij mijn zorgzaamheid, gericht zijn op de noden van de cliënt, en mijn gevoeligheid voor wat Dean noemt, “paralinguistic and non-verbal clues”.

In één keer besefte ik – en dat kwam hard aan – waardoor het kon gebeuren dat ik twee keren een geslaagd consult had gehad aan de hand van verkeerde horoscopen. Sympathie, cold reading, in samenhang met de mooie astrologische symboliek deden de truuk, niet de astrologie zelf. Conclusie: een warme, zorgzame astroloog, kan met elke horoscoop aan gang, dus ook met de verkeerde. In werkelijkheid dus had ik al die jaren gewerkt met een illusie. Een grandioze illusie weliswaar, maar nog altijd een illusie, hoe perfect ook.

Mijn prachtige astrologische wereld stort in

Dit verdrietige besef, bovenop alle negatieve resultaten van statistisch onderzoek (inclusief het mijne) had een desastreuze uitwerking op me. Mijn gelukkige wereldje van de astrologie stortte in elkaar. Het voelde alsof de bodem was weggeschopt van onder mijn bestaan.

Dit was het begin van een vreselijke tijd. Ik hield mijn astrologische praktijk nog wel even aan, maar toch voelde ik mij verplicht die te sluiten. Per slot had ik “gehandeld in illusies” en daarom vond ik het onethisch door te gaan met de verkoop van zulke illusies. Langzamerhand ook begon ik de contacten met mijn voormalige vakbroeders en –zusters te vermijden. Ik kon niet meer onbevangen tegenover ze staan.

Als dat alles zou zijn geweest, had het niet zo erg hoeven te zijn. Maar doordat de astrologie mijn grote jarenlange passie was geweest, waaraan ik ongelooflijk veel tijd, geld èn liefde had gespendeerd, was de teleurstelling des te groter.  Het was alsof ik in een diep zwart gat was gevallen. Als ik poogde mij te richten naar de toekomst zag ik alleen maar zwarte leegte, geen horizon, geen toekomst. Ik had mijn hele bestaan geïnvesteerd op basis van de rooskleurige beloften van de astrologie, en op de kennelijk valse zekerheid dat ’s mensens leven een definitief doel had, dus niet zinloos was, zoals de materialisten altijd maar weer beweren. Dankzij de astrologie voelde ik mij verbonden met het universum. Maar nu zag ik een verschrikkelijke, oneindige zwartheid. Dit leidde tot een depressie die jaren zou gaan duren en die, onder anderen, mijn huwelijk deed stranden. Ook in de banen die ik had aangenomen ging het niet goed, en het Australische avontuur liep ten einde. In 1987 keerde ik, alleen en vrijwel berooid, terug in Nederland.

Pas toen kon ik een nieuw leven beginnen. Ik vond weer een echtgenote, met wie ik nog steeds heel gelukkig samen ben, en een goede baan. En langzaamaan zakte het verdriet over de verloren gegane illusie naar de achtergrond.  Inmiddels ben ik alweer een aantal jaren gepensioneerd en in de zeventig.

Ik was niet alleen

Er was een beetje troost in het gegeven dat ik niet alleen stond in mijn ontdekking dat astrologie een illusie was. Toen ik in Perth (West Australië) woonde, bezocht ik Geoffrey Dean bijna wekelijks, en hij liet mij toen brieven zien van voormalige cliënten van hem toen hij nog een praktiserend astroloog was, in de tweede helft van de zeventiger jaren. Die bevatten uitspraken als “zeer accurate analyse”, “zó waar – echt verbazingwekkend!”, en “u kent mij van binnen en van buiten”.  Eén brief in het bijzonder kan ik mij goed herinneren, namelijk van een vrouw die een uur horoscoopanalyse veel nuttiger had gevonden dan zes maanden bezoeken bij de psychiater, en toen geheel uit zichzelf het honorarium verdubbelde. Zijn cliënten waren net zo blij met zijn astrologische adviezen als de mijne het waren met die van mij.

Echter, in 1980 vond hij tot zijn grote verbazing dat zijn cliënten net zo blij waren met een analyse die het tegenovergestelde was van een authentieke analyse. Net als ik had hij ontdekt dat elke horoscoop , van wie dan ook,  geschikt was voor een correct lijkende analyse, zolang de astroloog maar warm, gevoelig en zorgzaam was. Net als ik stopte hij met geld te vragen voor zijn astrologische consulten, en sloot hij zijn praktijk.

Later ontdekte ik dat er nog meer astrologen waren die om dezelfde reden waren gestopt. Een illuster voorbeeld is David Hamblin, ooit voorzitter van de British Astrological Association.

Nogmaals, ik stond niet alleen in mijn verandering van inzichten inzake astrologie.

Een nieuw begin

Het schijnt vaak voor te komen dat mensen die van een geloof afstappen, of het nu gaat om een religie of een geloof in de tarot, handlezen, handschriftkunde, en astrologie, de neiging hebben een grote afkeer te ontwikkelen tegen hun vroegere overtuiging.  Bij mij is dat niet het geval. Astrologie interesseert mij nog steeds, maar mijn focus ligt nu vooral op de grote vraag waarom astrologie nog zoveel aantrekkingskracht uitoefent op zoveel mensen, inclusief  mensen met een academische achtergrond, zelfs een beta-wetenschapper als analytisch chemicus Geoffrey Dean, een cum laude PhD van de universiteit van London. Met andere woorden, waarom gaan astrologen door met geloven in astrologie, terwijl het ene na het andere bewijs tégen de astrologie naar voren komt.

Ik heb daar uitgebreid over gefilosofeerd in het artikel “Moment Supreme” dat ik ooit schreef in Skepter en waarvan de Engelse versie op mijn website staat. Daarin kom ik tot de conclusie dat astrologen dóór gaan met geloven in de astrologie doordat de schijnbaar sterke overeenkomst tussen horoscoop en cliënt/horoscoopeigenaar zulk een grote overredingskracht heeft, dat het daardoor gemakkelijker, èn minder pijnlijk, voor ze is alle negatieve bewijzen te negeren, dan zich in die negatieve bewijzen te verdiepen – zoals ze altijd al hebben nagelaten, trouwens.

Andere factoren spelen ook een rol – afhankelijk van de astroloog, dat wel. Het kan niet ontkend worden dat de astrologie een zekere schoonheid en aantrekkingskracht heeft – een fraai getekende horoscoop met al zijn symbolen is net een fascinerend mooie mandala. Voor tal van mensen bevredigt dit hun verlangen deel uit te mogen maken van een alomvattend “geheel”, ofwel zich deel te voelen van een heelal als een levende entiteit. Daarbij is het heerlijk te weten dat, zoals het schijnt uit de persoonlijke horoscoop, je leven een duidelijk doel heeft omdat dat leven immers deel uitmaakt van het heelal – die levende entiteit.  Want dit gaat terug op de Grote Levensvraag voor zeer veel mensen: heeft mijn leven zin, waarom ben ik hier, en waar ga ik naar toe? De alom heersende opvatting van materialisten dat het leven gewoon toeval is en dus geen zin kàn hebben behalve die welke je er zelf aan geeft, is voor velen, inclusief ikzelf, een deprimerende dooddoener van jewelste. Dus voor nogal wat mensen leek (en lijkt) de astrologie, ook voor mij dus, een duidelijk en bevredigend antwoord te geven. De verwoestende teleurstelling die ik ervoer toen dit antwoord niet meer bleek te zijn dan een Grandioze Illusie, zal daarom niet erg verrassend zijn.

Besluit

Ik heb sindsdien leren leven met deze ontnuchterende kennis. In 2000 besloot ik die kennis openbaar te maken via mijn eigen website: www.astrology-and-science.com, en die site is een enorme bron van kennis voor alle mensen, astrologen èn skeptici, die meer willen weten over recente wetenschappelijke bevindingen inzake de astrologie. Sommige slecht geïnformeerde critici willen zich wel eens heel vijandig uiten in de bewering dat astrologen per definitie charlatans zijn die “kwetsbare mensen” schandelijke smoesjes verkopen voor veel geld. Ik hoop dat u het, na het lezen van mijn verhaal, met mij eens kan zijn dat dit soort uitspraken simpelweg onjuist zijn.

Echter, in tegenstelling tot wat ronduit vijandige skeptici doen, negeren wij (mijn medewerkers en ikzelf) niét de goede kant van de astrologie. Want die is er ook, zoals hopelijk is gebleken uit het voorgaande en uit de diverse bijdragen op de site. We geven de feiten simpelweg weer zoals ze zijn. Onder meer dat wij het overgrote deel van de astrologen niet beschouwen als charlatans omdat de meeste astrologen warmhartige mensen zijn met de oprechte wens andere mensen daadwerkelijk te helpen.

In al die jaren dat ik mij volop bezig hield met astrologie, en omging met zeer veel astrologen in Nederland, Duitsland, België, Engeland, USA en Australië ben ik nog nooit één beroepsastroloog tegen gekomen die het uitsluitend deed voor veel louche gewin. De armoe overheerste: veelal was het part-time werk, en de mensen die er wel full time mee bezig waren konden er nauwelijks van rondkomen. Geoffrey Dean en Arthur Mather, mijn companen sinds 1979, kunnen dit bevestigen. Dus de bewering van slecht geïnformeerde critici dat astrologen per definitie charlatans zijn die “kwetsbare mensen” schandelijke smoesjes verkopen voor veel geld, is niet meer dan kwaadaardige nonsens, gebaseerd op zelfgenoegzame bevooroordeeldheid – een harde uitspraak, dat besef ik best, maar ik meen het wel!

Wat mijzelf betreft, nu, zo’n 20-25 jaar later, maak ik zo heel af en toe een horoscoop voor iemand – al was het alleen maar om opnieuw, net als destijds, die immense vreugde te voelen als het consult goed verloopt. Ik zeg dan wel heel duidelijk vooraf dat alles wat ik vertel geen enkele wetenschappelijke basis heeft, dat ik astrologie alleen maar gebruik als gespreksmethode, en verder vraag ik er ook geen geld voor. Ik bied ze een “Grote Illusie” waar ze echter wel wat aan kunnen hebben. Kortom, werken met astrologie kàn helpen, niet dankzij de astrologie zelf, maar doordat astrologie de sfeer kan scheppen die mij helpt anderen te helpen.